fbpx

Dit is de wetenschap achter ‘je lekker voelen’

Iedereen wil lekker in z’n vel zitten, maar welke psychologische ingrediënten zijn daarvoor nodig? Johan Lataster, levenslooppsycholoog aan de Open Universiteit, beantwoordt veelgestelde vragen.

Johan Lataster on maart 10, 2022 Gemiddelde leestijd: 10 min
Deel dit artikel:
Dit is de wetenschap achter ‘je lekker voelen’

De vakgroep levenslooppsychologie van de Open Universiteit onderzoekt welke factoren gedurende de levensloop bijdragen aan een optimaal functioneren en welbevinden. Kun je ons een top-5-lijstje van die factoren geven?

Nee, helaas niet. Lijstjes vinden we fijn, ze geven ons een gevoel van structuur en controle. Ik vrees echter dat de studie van menselijk welbevinden niet op zo’n rechtlijnige manier is samen te vatten.

Allereerst moeten we het dan bijvoorbeeld eens zijn over wat welbevinden precies inhoudt, en daar zijn al tal van perspectieven in te onderscheiden. Neem alleen al het duidelijke verschil tussen “westerse” visies op welbevinden, die zich met name richten op individueel geluk, en visies uit andere culturen, waarin juist het belang van het collectief vaak centraal staat.

Neem alleen al het duidelijke verschil tussen “westerse” visies op welbevinden en visies uit andere culturen

De westerse visie voert duidelijk de boventoon in wetenschappelijk onderzoek naar welbevinden, mede omdat dit onderzoek vooral in westerse populaties plaatsvindt. Maar het is goed om ons te realiseren dat het maar één visie is (en niet per se de meest zaligmakende).

In het onderzoek van onze vakgroep gaan we meestal uit van het model van positieve geestelijke gezondheid (Keyes, 2002), dat zowel aandacht heeft voor emotionele, psychologische als sociale aspecten van menselijk welbevinden.

In een notendop: voel je je plezierig (emotioneel); ben je tevreden met jezelf als persoon en hoe je leert, verandert en groeit (psychologisch); en begrijp je de wereld om je heen, en heb je het gevoel dat je er deel van uitmaakt en aan bijdraagt (sociaal)?

Optimaal functioneren gaat volgens dit model dus over de subjectieve ervaring van een hoge mate van welbevinden op deze gebieden, en niet over zaken als het behalen van werktargets of je positie op de maatschappelijke ladder.

Vervolgens is dan de vraag: wat draagt bij aan deze gevoelens? Dat is wederom een ingewikkelde puzzel waarin allerlei factoren lijken te interacteren, zoals: erfelijkheid (genen), fysieke factoren (voeding, slaap, lichaamsbeweging, etc.), omstandigheden en middelen (leefmilieu, dingen die ons overkomen, etc.), en onze gedachten en bewuste acties. Onze vakgroep onderzoekt met name die laatste categorie van factoren.

Binnen de levenslooppsychologie beschouwen we daarbij de mens in wezen als een adaptief, zelfsturend organisme, met een levenslange potentie tot ontwikkeling.

Binnen de levenslooppsychologie beschouwen we de mens in wezen als een adaptief, zelfsturend organisme

Vanuit dat zelfsturende karakter beschouwd is dan een eerste belangrijke vraag: waar stuur je naartoe? In welke richting wil je je ontwikkelen? Als je daarmee worstelt, is het sturen immers ook onduidelijk, en kun je aanlopen tegen gevoelens van doelloosheid en betekenisloosheid. Belangrijke factoren die hierbij komen kijken zijn bijvoorbeeld zingeving (o.a. Steger, 2009) en persoonlijke waarden. Uitzoeken wie je bent, waar je voor staat en wat je met je leven wilt doen maakt het mogelijk je aandacht en energie te richten op zaken die voor jou zinvol en waarde(n)vol zijn en daarmee bijdragen aan het welbevinden.

De tweede vraag is vervolgens: hoe stuur je daarnaartoe? Een theoretisch perspectief dat hier heel mooi op aansluit is de theorie van ‘zelfbepaald’ gedrag (zelfdeterminatietheorie; Deci & Ryan, 2000).

Volgens deze theorie is de kwaliteit van onze motivatie voor gedrag optimaal als we ons bevredigd voelen in drie universele en fundamentele psychologische behoeften, namelijk: de behoefte aan autonomie (vrijheid van wil ten aanzien van het organiseren en reguleren van ons gedrag), de behoefte aan competentie(interesse in het verkennen en verwerven van vaardigheden die ons functioneren ondersteunen) en de behoefte aan verbondenheid (sociale connectie en veiligheid).

Deze behoeften kunnen inhoudelijk van persoon tot persoon of tussen contexten verschillen, maar de bevrediging ervan leidt volgens het zelfconcordantiemodel (Sheldon & Elliot, 1999) tot een betere motivatiekwaliteit en duurzame inzet, wat weer positieve gevolgen heeft voor het behalen van onze persoonlijke doelen en gevoelens van welbevinden die daarmee gepaard gaan (zie ook: Lataster et al., 2022).

Ten derde: ontwikkeling is een adaptief proces. Obstakels en tegenslagen maken onvermijdelijk deel uit van ons levenspad. Toegegeven: de een komt meer obstakels tegen dan de ander. Maar daarmee op een goede manier om kunnen gaan lijkt een universele voorwaarde voor het (behoud van) welbevinden.

Obstakels en tegenslagen maken onvermijdelijk deel uit van ons levenspad

In die context kom je al gauw uit bij factoren die te maken hebben met veerkracht (o.a. IJntema, 2020), zoals psychologische flexibiliteit, waar onze vakgroep ook onderzoek naar doet (Reijnders et al., 2019).

Dus, als je dan toch een lijstje wilt, dan zou ik vanuit bovenstaande kaders zeggen:

Bekijk welbevindenvraagstukken eens met deze interacterende factoren in het achterhoofd (maar niet per se in deze volgorde): zingeving en bevrediging van de behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid, en veerkracht.

Het moge duidelijk zijn dat dit geen uitputtende of definitieve lijst is, maar misschien leidt het al tot interessante inzichten. 

Welke factor draagt in jouw persoonlijke leven bij aan optimaal functioneren en welbevinden? Doe je iets om ervoor te zorgen dat die factor alle ruimte in je leven krijgt?

Als ik mijn alledaagse functioneren bekijk, dan gedij ik goed in een context waarin ik veel vrijheid voel om nieuwe dingen te ontdekken en uit te proberen, en daar zelf een weg in te vinden. Ik denk dat de mensen om me heen goed aanvoelen wanneer ik daarin wat moet worden afgeremd of bijgestuurd, want dat is ook soms nodig en welkom. Die wisselwerking is voor mijn functioneren dus belangrijk.

Verder merk ik, naarmate ik ouder word, en zeker nu ik vader ben, dat zingevingsvraagstukken steeds meer op de voorgrond komen te staan. Ik koppel dit ook aan een bepaalde “generativiteitsbehoefte”: wat wil ik nalaten, hoe wil ik op mijn leven kunnen terugkijken?

Zeker nu ik vader ben, merk ik dat zingevingsvraagstukken steeds meer op de voorgrond komen te staan

Ik ben daar nog niet helemaal uit, hoor, maar het stellen van dit soort vragen helpt in ieder geval om kritisch door te lichten wat ik doe, de keuzes die ik maak, en hoe ik in het leven sta en anderen wil inspireren. Daar heb ik nog wel wat in uit te zoeken, maar het voelt al goed om ermee bezig te zijn.

Het vakgebied van de levenslooppsychologie is relatief jong. Waarom zijn we er ons pas recentelijk druk over gaan maken?

Ik denk dat hier een aantal redenen voor is aan te wijzen (zie ook o.a. Berk, 2011). Allereerst een, vanuit de wetenschap, langdurende obsessie met de vroege kindertijd. Een beetje het idee van een “kindertijdfabriek” waar dan aan het eind een uitontwikkelde volwassene uitrolt. Het bereiken van de volwassenheid werd daarbij traditioneel gezien als het hoogtepunt van het leven en alles daarna eigenlijk als een aftakeling.

Dat was overigens misschien niet eens zo’n vreemde gedachte, aangezien je aan het begin van de twintigste eeuw van geluk mocht spreken als je ouder werd dan vijftig.

Het bereiken van de volwassenheid werd traditioneel gezien als het hoogtepunt van het leven

Dat denken is in de jaren ‘50 ongeveer veranderd, vooral doordat de gemiddelde levensverwachting onder invloed van verschillende historische ontwikkelingen – onder andere betere voeding en medische zorg, minder intensieve fysieke arbeid, meer welvaart – in de twintigste eeuw meer is toegenomen, en blijft toenemen, dan in de vijfduizend jaar die eraan voorafgingen.

We worden niet alleen (veel) ouder maar blijven ook langer gezond en actief, al dreigen welvaartskwalen deze tendens weer af te vlakken.

Dus dit matcht niet meer met het stereotiepe beeld van aftakeling en achteruitgang, en heeft plaatsgemaakt voor een andere, meer positieve en dynamische benadering van de menselijke ontwikkeling vanaf de (jong)volwassenheid: de levenslooppsychologie.

Waarom moeten hr-managers, loopbaanprofessioals en werkgevers meer over jouw vakgebied te weten komen? What’s in it for them?

Aansluitend bij mijn vorige antwoord, heeft ook in de werkcontext een verschuiving in perspectief plaatsgevonden van werk als plicht en last, naar werk als bron van plezier en betekenis.

Het creëren van een gezond werkklimaat en duurzame inzetbaarheid gaat volgens die gedachte dus niet alleen om het reduceren van werkstressoren en andere narigheden, maar omvat ook het bevorderen van welbevinden (zie o.a. Bergsma & Schaufeli, 2013).

Het creëren van een gezond werkklimaat gaat niet alleen om het reduceren van werkstressoren en andere narigheden

Het besef dat investeren in welbevinden loont, lijkt met de introductie van ‘Chief Happiness Officers’ en andere initiatieven trouwens in organisaties wel steeds meer door te dringen. Investeren in werkplezier is niet alleen gunstig voor de mentale gezondheid van werknemers, maar lijkt zich ook terug te betalen in termen van productiviteit, kwaliteit en (klant)tevredenheid over geleverde diensten.

Maar hoe geef je invulling aan beleid gericht op het duurzaam stimuleren van welbevinden van werknemers en organisaties? Daarvoor moeten we toch eerst weer terug naar ons basisbegrip van de menselijke ontwikkeling. Wat zijn de aandrijvers van die ontwikkeling? En hoe kun je hierop inhaken om die ontwikkeling, binnen een bepaalde context, te stimuleren ten gunste van het welbevinden?

Dat zijn precies het soort vragen dat de levenslooppsychologie probeert te beantwoorden, door het individu in interactie met zijn omgeving te bestuderen.

Tijdens LoopbaanPro Live, een evenement dat dit medium organiseert, vertel je over jouw vakgebied. Als iedereen die naar je luistert maar één ding uit jouw verhaal kan onthouden, wat moet dat dan zijn?

Dan zou ik toch als startpunt verwijzen naar de uitgebreid onderzochte zelfdeterminatietheorie. Bekijk (werk)vraagstukken eens vanuit het perspectief van psychologische basisbehoeftenbevrediging en -frustratie. Ook omdat dit aanvullend kwesties rond persoonlijke waarden en veerkracht kan blootleggen. Ik zal een aantal ‘do’s en don’ts’ presenteren die je daarbij wellicht op gang kunnen helpen.

Hoe zijn participatie en inspraak bijvoorbeeld georganiseerd (autonomie)? Is er sprake van een optimale mate van uitdaging (competentie)? En hoe is het gesteld met sociale veiligheid en inclusiviteit (verbondenheid)?

Hou de drie basisbehoeften ook eens in het achterhoofd bij het voeren van gesprekken met een collega, werknemer, leidinggevende, partner, of bij de evaluatie van je eigen situatie.

Ben je dan op de goede weg? Wat gaat goed? Neem dat ook zeker mee. En waar wringt de schoen?

Belangrijk om daarbij te onthouden is dus dat de basisbehoeften inhoudelijk van persoon tot persoon of van taak tot taak kunnen verschillen, maar de bevrediging ervan doorgaans samengaat met welbevinden. Je kunt het dus niet zomaar voor een ander invullen.

Waar kunnen mensen terecht voor meer informatie over jouw vakgebied?

Meer informatie over de universitaire mastervariant Levenslooppsychologie en het onderzoek dat wij doen is hier te vinden: https://www.ou.nl/levenslooppsychologie.

Onderzoeksresultaten, nieuws en andere updates uit onze vakgroep delen we via LinkedIn (Open Universiteit – Levenslooppsychologie) en Twitter (@OU_LifespanPsy).

Referenties:

  • Bergsma, A., & Schaufeli, W. (2013). Positieve psychologie in organisaties. In: E. Bohlmeijer, L. Bolier, G. Westerhof, & J.-A. Walburg (Eds.), Handboek positieve psychologie: theorie, onderzoek, toepassingen (pp. 311-324). Uitgeverij Boom.
  • Berk, L. E. (2011). Exploring Lifespan Development. Pearson.
  • Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The” what” and” why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological inquiry11(4), 227-268.
  • IJntema, R. (2020). Psychological resilience at work: A labyrinth worth navigating. Doctoral dissertation, Utrecht University.
  • Keyes, C. L. (2002). The mental health continuum: From languishing to flourishing in life. Journal of health and social behavior, 43(2), 207-222.
  • Lataster, J., Reijnders, J., Janssens, M., Simons, M., Peeters, S., Jacobs, N. (2022). Basic Psychological Need Satisfaction and Well-Being Across Age: A Cross-Sectional General Population Study among 1709 Dutch Speaking Adults. J Happiness Stud,https://doi.org/10.1007/s10902-021-00482-2
  • Reijnders, J., Simons, M., Batink, T., Janssens, M., Peeters, S., Lataster, J., & Jacobs, N. (2019). Staying flexible while aging: De rol van psychologische flexibiliteit bij positief ouder worden. Tijdschrift Positieve Psychologie, 2019(3), 46-54.
  • Sheldon, K. M., & Elliot, A. J. (1999). Goal striving, need satisfaction, and longitudinal well-being: the self-concordance model. Journal of personality and social psychology76(3), 482.
  • Steger, M.F. (2009). Meaning in life. In S. J. Lopez & C.R. Snyder (Eds.), Oxford handbook of positive psychology (2nd ed., pp. 679-687). Oxford University Press.
Tags:
Deel dit artikel:

Premium partners Bekijk alle partners

Intelligence Group
LDC
LoopbaanVisie
Noloc
Recruitment Tech
Timetohire
Werf&

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrief

"*" geeft vereiste velden aan

Naam*
Toestemming*
Nieuwsbrief*