De stijgende instroom in de WIA wordt in politiek en media vaak gelezen als bewijs voor een explosieve groei van het aantal arbeidsongeschikten. Dat klinkt logisch, maar is volgens econoom Judith Post een misvatting.
De verleiding van simpele conclusies
De WIA is de regeling waar vrijwel alle nieuwe gevallen instromen, terwijl oudere gevallen nog in de WAO zitten en daar langzaam uit verdwijnen. Wie alleen naar de instroom in de WIA kijkt, ziet vooral een deur die openstaat en niet wat er aan de achterkant gebeurt.
“Zie het als een onderneming met twee vestigingen: bij de oude vestiging zijn de deuren naar binnen dicht, maar binnen staan nog best veel mensen en af en toe gaat er wel iemand naar buiten, een uitstroom (=WAO). Bij de nieuwe vestiging staan de deuren open, en is er instroom. Maar de meeste mensen zijn nog niet zo lang binnen, en gaan dus ook nog niet naar buiten (=WIA),” legt Post uit op LinkedIn.

Het totaalbeeld is daardoor wellicht iets minder ‘spectaculair’. Al jaren schommelt het aantal mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering rond de 800.000 à 870.000. Dat oogt stabiel, zeker afgezet tegen een groeiende bevolking. Maar daarmee is niet alles gezegd.
Schijnstabiliteit?
Die ogenschijnlijke stabiliteit creëert weer nieuwe vragen. Want waardoor blijft dat totaal eigenlijk zo constant? Een deel van het antwoord ligt waarschijnlijk in de uitstroom van oudere generaties. In de WAO zitten relatief veel mensen die de komende jaren de AOW-leeftijd bereiken. Zij verdwijnen uit de statistiek, omdat ze met pensioen gaan. Dat kan het totaal drukken, ook als er tegelijk veel nieuwe instroom is.
Het is dus goed mogelijk dat stabiliteit op papier het resultaat is van twee tegengestelde bewegingen: een flinke instroom aan de voorkant en een even stevige uitstroom aan de achterkant. Hoe die verhouding precies ligt, denk aan hoeveel mensen uitstromen door pensioen, herstel of andere redenen, is minder zichtbaar in de publieke cijfers. En zonder dat onderscheid wordt het lastig om harde conclusies te trekken over de ontwikkeling van het probleem zelf.
Versoberde regels en verhoogde drempels
Daar komt nog bij dat de regels rondom arbeidsongeschiktheid de afgelopen decennia aanzienlijk zijn aangescherpt. Regelingen zijn versoberd, drempels verhoogd en toegang beperkt. Het is aannemelijk dat niet iedereen die arbeidsongeschikt is ook daadwerkelijk in de statistieken van de WIA, WAO of Wajong terechtkomt.
Een deel van deze groep bevindt zich in de Participatiewet of valt buiten het zicht van uitkeringscijfers, bijvoorbeeld door het inkomen van een partner. Een stabiel aantal uitkeringen zegt daarmee niet automatisch dat het aantal mensen dat niet kan werken ook stabiel is.
Werken met een uitkering
Ook het beeld dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering gelijkstaat aan niet werken houdt geen stand. In de praktijk komt het vaker voor dat mensen een uitkering met (gedeeltelijk) werk combineren. Binnen regelingen als de WIA en Wajong bestaan verschillende vormen waarin werken mogelijk is zonder direct het recht op uitkering te verliezen.
‘Arbeidsongeschikt’ is daarmee geen zwart-witcategorie, maar een spectrum waarin werken en uitvallen naast elkaar kunnen bestaan.
Van fysieke klachten naar psychische problematiek
Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen die wel degelijk tot zorg stemmen. De instroom in de WIA is de afgelopen jaren gestegen, mede onder invloed van vergrijzing, hoog ziekteverzuim en de nasleep van de coronapandemie. Dat zegt niet automatisch iets over de totale omvang van arbeidsongeschiktheid, maar wel over de dynamiek van uitval. Meer mensen bereiken het punt van langdurige uitval en dat legt druk op de uitvoering en roept vragen op over werk en belastbaarheid in deze tijd.

Wachttijden voor een WIA-beoordeling lopen op, in sommige gevallen tot ruim een jaar. Mensen wachten daardoor langdurig op duidelijkheid over hun inkomen en hun positie op de arbeidsmarkt. Ook als het totaal aantal arbeidsongeschikten relatief constant blijft, kan de ervaring van het systeem voor betrokkenen juist onzekerder worden.

Ook de aard van de problematiek verschuift. Psychische klachten spelen een steeds grotere rol, terwijl langdurige fysieke aandoeningen niet langer het dominante beeld bepalen.
Mensen achter de statistiek
Geen eenduidig antwoord of oplossing dus. Het dominante verhaal van een explosieve groei van arbeidsongeschiktheid is te simpel. Maar het tegenovergestelde (dat het allemaal wel meevalt) is dat ook.
Ja, er is druk op het systeem, zichtbaar in wachttijden en uitvoering. Er zijn verschuivingen in wie uitvalt en waarom en er zijn blinde vlekken in wat we meten en begrijpen. Dat is voor het loopbaanvak misschien wel de belangrijkste take away. De cijfers geven geen definitief antwoord. Daarmee blijven professionals die oog houden voor vragen over werk, belastbaarheid en de mensen die daarin hun weg proberen te vinden belangrijk.
Natuurlijk speelt het UWV een formele rol in de beoordeling, keuring en begeleiding richting werk binnen de kaders van wet- en regelgeving. Maar stoppen die kaders en zijn er nog vragen over richting, belastbaarheid en toekomst? Dan is een ander type begeleiding helpend. Niet gericht op wat iemand nog moet kunnen, maar juist op wat kan en past.
De weg naar de WIA is vaak geen harde breuk met werk, maar een geleidelijk proces van uitval, terugkeer.
Slechts een klein deel van alle ziektegevallen mondt uiteindelijk uit in instroom in de WIA. Maar juist dat maakt die instroom betekenisvol: het is het eindpunt van een veel grotere groep mensen die daarvoor al vastloopt in werk, re-integratie of belastbaarheid.
Een behoorlijke zoektocht dus. En wie alleen naar de cijfers kijkt, ziet niet de mensen die proberen grip te krijgen op werk.
Meer lezen?































